De trainer als tuinier

Tuinieren is een hobby van me en dan met name de moestuin. Ik vind het heerlijk om door de tuin te lopen en mij te verwonderen over alles wat er groeit. Ik werk graag af en toe met mijn handen en tegelijk kan ik dan m’n gedachten de vrije loop laten. Tijdens één van die momenten realiseerde ik mij hoeveel het trainersvak op tuinieren lijkt.

In dit artikel wil ik je meenemen in wat observaties en metaforen over de trainer als tuinier. Misschien herken je iets, misschien helpt het je zelfs, maar in ieder geval weet je straks hoe mijn moestuin eruit ziet. 😉

Als je wilt oogsten, moet je een plan maken

Je kunt natuurlijk de natuur z’n gang laten gaan. Ook leuk. Toevallig weet ik van vorig jaar welke planten er dan opkomen. Maar als je ook eens iets anders dan brandnetelsoep wilt, moet je ruim van tevoren bedenken wat je wilt oogsten en wanneer je dit moet zaaien. Op mijn computer staat dan ook een tuinplan met per maand de belangrijkste acties. Dat plan maak ik al in de winter.

de trainer als tuinier

Als je in een training ‘alles laat gebeuren’ kunnen er heel mooie dingen ontstaan. Maar of dat ook de dingen zijn waar je voor betaald wordt, is natuurlijk maar de vraag. Een goede training begint met een plan. Je begint ‘with the end in mind’ en maakt vervolgens een trainingsplan hoe je daar kunt komen. En meestal maak je zo’n plan enkele weken van tevoren.

Iedere plant heeft een eigen aanpak

Peultjes kun je in februari al zaaien, maar courgettes pas in mei. Pompoen heeft een vochtige grond nodig, maar boontjes hebben liever wat drogere grond. Mais doet het alleen goed als je er meerdere naast elkaar zet, maar een peperplant doet het prima alleen. Spitskool kun je heel vroeg zaaien, want dan heb je minder last van rupsen. Zo leerde ik in de afgelopen jaren veel soorten planten en hun voorkeuren kennen. Vroeger stopte ik alles gewoon in de grond en wachtte ik af, nu is mijn tuinieren meer maatwerk.

Iedere deelnemer in een training is uniek. Door het werken met mensen, leer je als trainer steeds beter te differentiëren. Natuurlijk werk je met groepen en heb je een ‘gemiddelde aanpak’ die werkt, maar daarnaast leer je door kleine interventies steeds beter in te spelen op wat individuele deelnemers nodig hebben.

De grond moet voorbewerkt worden

In de winter strooi ik compost en mest over de tuin. Waar worteltjes komen, maak ik de grond extra los, eventueel met wat zand. Een goede oogst begint met het voorbewerken van de grond.

Onze deelnemers zijn geen holle vaten waar je naar believen wat kennis en vaardigheden in kunt storten. Je kunt hen ‘voorbewerken’ met voorbereidingsopdrachten. Of je gebruikt in de training enkele werkvormen waardoor je ze helpt om open te staan voor wat je te bieden hebt. Er zijn trainingen waarin ik pas na een uur met de echte leerstof begin. Ook in de trainingen heb je dus voorbewerkingstijd nodig voordat het ‘leerstofzaad’ kan landen en wortel kan schieten.

Groei gaat vanzelf

Misschien wel de meest bekende en wat mij betreft ook de belangrijkste metafoor. Als tuinier kan ik de omstandigheden optimaal maken, maar ik kan de planten niet laten groeien. Ik sta erbij en ik kijk ernaar. Het vermogen om te groeien zit al in de planten zelf.

Als trainers kunnen wij de training zo goed mogelijk maken, maar uiteindelijk groeien onze deelnemers zelf. Je hebt nooit controle, maar altijd invloed.

Planten gebruiken gerecyclede voeding

Planten halen voedingsstoffen uit de grond. Die moeten aangevuld worden. Meestal gebruik ik daarvoor compost. Ik voed mijn planten met de verteerde resten van vroegere planten.

Veel van wat ik in een training doorgeef, is verteerde wijsheid van anderen. Ik heb die wijsheid via trainingen, boeken of gesprekken tot mij genomen, heb het verwerkt en geeft het in aangepaste vorm weer door aan anderen. Wat is trainen of lesgeven uiteindelijk meer dan het doorgeven van de collectieve wijsheid van onze voorgangers? We hebben ons kaarsjes aan vele fakkels ontstoken. Of met de woorden van Isaac Newton: Als wij verder zien dan anderen, is het omdat we op de schouders van reuzen staan.

In het zaad zit de hele plant

Ik kan mij echt verwonderen over de potentie van een zaadje. Ik oogst tientallen tomaten van één plant die uiteindelijk uit één zaadje is ontstaan. En een pompoenzaadje van één gram levert pompoenen van vele kilo’s. De hele plant en alle vruchten zaten in potentie al in het zaadje.

Zo probeer ik ook naar mensen te kijken. De potentie van mensen zit al in hen. Als trainer kan ik hen helpen zich te ont-wikkelen, maar de potentie zit er al in. Soms ook niet overigens, maar wie van ons is in staat om dat te zien? Tot het tegendeel blijkt, wil ik uitgaan van de mogelijkheden.

Je moet de natuur soms ondersteunen

Een storm in het vroege voorjaar zorgde ervoor dat al mijn peultjes geknakt waren. Daarom heb ik er een rek achter gezet en heb ik de planten daarna opgebonden. Courgettes kun je hun gang laten gaan, maar de oogst is groter als je ze opbindt en regelmatig oud blad verwijdert.

Als trainer ben je soms een sterke schouder waar mensen even op kunnen leunen. De natuur is soms hard en genadeloos en ook mensen kunnen knakken door wat hen overkomen is. Wij kunnen hen niet ‘repareren’ maar we kunnen wel degene zijn die naast hen staat, hen bemoedigt en ondersteunt.

Snoeien zorgt voor een betere opbrengst

Veel planten gaan het beter doen als je ze snoeit. Het voelt soms paradoxaal. Jonge vruchten wegknippen om anderen de ruimte te geven. Worteltjes uitdunnen omdat ze anders elkaar in de weg zitten.

Focus vergroot het leerresultaat. Denk nu niet dat ik degene ben die de deelnemers snoeit. Dat mogen ze zelf doen. Maar ik kan er wel bij helpen. Bijvoorbeeld door de deelnemers een heel goed actieplan te laten maken. Deelnemers die echte keuzes durven maken (dus ook wat ze niet gaan ontwikkelen) bereiken vaak meer. Trainers die in hun voorbereiding durven kiezen wat ze weglaten, geven meestal betere trainingen dan trainers die alle ‘zijtakjes’ in hun training de ruimte geven en de deelnemers overdonderen door een overload aan kennis en vaardigheden.

Soms maak je fouten

Twee weken geleden heb ik een bessenstruik verpoot. Hij stond onder de schaduw van een boom en deed het daar niet zo goed. Met de beste bedoelingen heb ik de struik in het zonnetje gezet. Dom. Zoiets moet je niet in augustus doen. Ook de parasol die ik erboven heb gezet en veel emmers water konden niet meer helpen. Het kan zijn dan de plant volgend jaar weer uit gaat lopen, maar ik betwijfel het.

Als trainer hebben we allerlei interventies in onze gereedschapskist. Met de beste bedoelingen willen we onze deelnemers helpen. Maar soms moeten we gewoon de conclusie trekken dat het niet goed was. Ik geef wel eens veel te veel feedback aan iemand die het eigenlijk op dat moment niet aan kan. Soms is het niet het juiste middel en soms is het niet het juiste moment. Gelukkig overleven onze deelnemers dit meestal wel. Gelukkig groeien ze op hun eigen manier gewoon door, maar dat is dan meer ondanks ons, dan dankzij ons ingrijpen. Ik zie het als een voortdurend leerproces om als trainer steeds beter in te kunnen schatten wat op welk moment bij welke persoon het beste zal werken.

Het wonder van de oogst

Het is een bijzonder moment als ik de eerste vruchten naar de keuken draag. De eerste spitskool, de eerste aardbei, een goudgele maiskolf, de eerste rijpe pruim. Dat ontroert me. Het is een mix van trots en dankbaarheid. Trots dat het gelukt is om na maanden die vrucht te kweken en dankbaarheid omdat ik me realiseer dat ik het uiteindelijk niet zelf gedaan heb. Iedere vrucht blijft voor mij een cadeautje.

Zo kan ik ook kijken naar deelnemers. Als iemand aan het einde van een training iets kan wat ie eerst niet kon, dan voel ik ook die mengeling van trots en dankbaarheid. Trots omdat ik weet welke bijdrage ik heb geleverd. En dankbaarheid omdat dit resultaat uiteindelijk niet mijn resultaat is. Dankbaarheid voel ik ook over het werk wat ik doe. Wat is het trainersvak een mooi vak!

Tenslotte: mijn kernwaarden en de moestuin

Ik volgde in het voorjaar van 2019 een training over ACT bij Jaantje Thiadens. Als voorbereiding vroeg ze ons een afbeelding mee te nemen die één van onze kernwaarden symboliseert. Die kernwaarden had ik paraat, want ik leef met een persoonlijk statuut. Ik maakte een foto van de moestuin, omdat ik dit bij mijn kernwaarde ‘verantwoordelijkheid’ vond passen. Maar daarna kwam ik er achter dat eigenlijk al mijn kernwaarden zichtbaar worden in mijn werken in de moestuin. Toen snapte ik nog beter waarom ik het zo leuk vind. Dit zijn mijn kernwaarden:

Verantwoordelijkheid: dat is voor mij geen last, maar een lust. Ik voel me eigenaar van dit stukje grond en ik zorg ervoor.

Ontwikkeling: ik hou van groei en ontwikkeling. Voor mezelf, maar ook om dit te stimuleren bij anderen. Uiteraard doe ik dat vooral met mensen, maar dus ook in de tuin.

Resultaat: ik vind een moestuin leuker dan een siertuin. Ik vind het prachtig om te oogsten. Resultaat motiveert mij.

Aandacht: Ik slenter graag door de moestuin en bekijk ik de plantjes. Ik trek een onkruidje weg, bind een takje vast, oogst een paar frambozen. Wat je aandacht geeft, groeit.

Dankbaarheid: Ik ben dankbaar voor de groei van de planten en dankbaar voor de oogst. Ik ontvang dit als cadeautjes, of als ‘genade’.

Trainingsplan

Trainingsplan

Een trainingsplan, lesplan of draaiboek is een document waarin je als trainer beschrijft hoe je jouw training gaat uitvoeren. Bij Bridge2learn gebruiken we een trainingsplan dat in de afgelopen tien jaar ontwikkeld is en inmiddels door honderden trainers gebruikt wordt. Op deze pagina kun je een template downloaden en vind je ook een toelichting op de onderdelen. Ook laat ik in dit artikel zien wat de voordelen van een trainingsplan zijn en hoe ik hiermee werk.

Wat is een trainingsplan?

Voordat ik het nut van een trainingsplan laat zien, moeten we even afstemmen wat een trainingsplan nu eigenlijk is. Een trainingsplan beschrijft hoe je een training gaat uitvoeren. Een trainingsplan is dus geen beschrijving van de inhoud, bijvoorbeeld de theorie, van de training. De inhoud van een training staat meestal in hand-outs, artikelen, readers, filmpjes en boeken. In een trainingsplan beschrijf je op welke manier je die inhoud zo gaat overdragen dat jouw deelnemers er zoveel mogelijk van gaan leren. In een trainingsplan beschrijf je de werkvormen.

Als je alleen een presentatie geeft, heb je geen trainingsplan nodig. Een presentatie is ook geen training en levert doorgaans ook weinig leerrendement op. Als je van een presentatie een training of workshop met activerende werkvormen wil maken, dan is een trainingsplan nuttig. Activerende werkvormen kun je doorgaans niet improviseren. Daar heb je bijvoorbeeld materialen voor nodig, schriftelijke instructies, een casus, ruimte op de vloer.

Waarom een trainingsplan?

Misschien ben jij wel iemand die een training helemaal uit je hoofd geeft. Of misschien staat jouw training wel in PowerPoint en vind je zo’n extra document overbodig. Het kan natuurlijk ook zo zijn dat je sowieso niet van plannen houdt. Misschien wil je flexibel meebewegen met de groep en vind je zo’n trainingsplan een keurslijf. Als je deelnemers tevreden zijn, waarom zou je dan met een trainingsplan, lesplan of draaiboek gaan werken?

Het schrijven van een goed trainingsplan kost tijd. Ik vind het ook niet altijd leuk om te doen. Maar het levert heel veel op. De volgende voordelen heb ik zelf ervaren, maar hoor ik ook terug van trainers die met een trainingsplan, lesplan of draaiboek gaan werken:

  1. Een trainingsplan helpt je om de doelen expliciet te maken van jouw training en van jouw werkvormen. Het expliciet maken van doelen is één van de belangrijkste succesfactoren voor een goede training. Zie ook dit artikel over gedragsdoelen.
  2. Een trainingsplan helpt je om jouw training goed te doordenken. Je hebt de hele training als het ware al een keer afgespeeld in je gedachten. En je zult merken dat je daar steeds beter in wordt. Omdat ik altijd (ja echt, iedere training opnieuw) met een trainingsplan werk, word ik steeds beter in het inschatten van de lengte van werkvormen. Het gebeurt me steeds vaker dat een training precies volgens plan verloopt. Je zult mij zelden zien haasten of opmerkingen horen maken als ‘Gezien de tijd…‘.
  3. Een trainingsplan geeft rust in je hoofd. Je hoeft niet op het laatste moment nog van alles uit je hoofd te leren. De werkvormen staan op papier en daar kun je altijd op terug vallen.
  4. Een trainingsplan helpt je bij het evalueren en bijstellen van je training. Na afloop van een training kun je notities maken zodat je de volgende keer werkvormen iets kunt aanpassen. Als je niks op papier hebt staan, wordt dat lastig.
  5. Een trainingsplan maakt jouw training enigszins overdraagbaar voor collega-trainers met dezelfde inhoudelijke kennis.
  6. Een trainingsplan verkort de voorbereidingstijd als je een training moet herhalen.

Hoe gebruik je een trainingsplan tijdens je training?

Misschien vraag je je af of zo’n trainingsplan dan geen keurslijf wordt bij de uitvoering van een training. Je wilt met je aandacht bij de deelnemers zijn en niet steeds op je klok en in je trainingsplan kijken. De waarheid ligt in het midden. Als je nooit op de klok kijkt, krijg je weer andere problemen.

Bij mij werkt het zo.

Het voorblad van het trainingsplan (met daarop het programma-overzicht) heb ik altijd links bovenop liggen. Daarnaast ligt de rest van het trainingsplan met bovenop het onderdeel waar ik op dat moment mee bezig ben. Op die manier kan ik zowel het totaalplaatje als het onderdeel waar ik mee bezig ben in de gaten houden.

Tijdens de uitvoering krabbel ik al kleine evaluatie-notities op het voorblad. ‘Instructie bij opdracht 3 duidelijker uitwerken.’ ‘Volgende keer met eigen doelen van deelnemers werken.’ ‘Oefening interactie duurde 60 minuten’ Na de training verwerk ik deze notities meteen in rood in het trainingsplan. Als ik dit trainingsplan later nog eens gebruik, of onderdelen daaruit, zie ik meteen deze notities staan en kan ik het trainingsplan op dat moment aanpassen.

Als ik merk dat ik uitloop, dan kan ik daarop meteen anticiperen. Ik kort dan een volgend onderdeel iets in of sla iets over. Meestal zeg ik daar niets over tegen de deelnemers. Wat niet weet, wat niet deert. Advies: zeg in ieder geval niet: “Eigenlijk had ik nu nog een heel leuke werkvorm, maar gezien de tijd slaan we die nu over.” Val jouw deelnemers niet lastig met je eigen ongemak of planningsfouten als dat niet bijdraagt aan het doel van de training.

Ik kreeg eens een leuk compliment dat alles te maken had met mijn trainingsplan. Iemand volgde bij mij een training over omgaan met weerstand in trainingen. Aan het einde van de training zei hij: “Mijn grootste leerervaring is misschien wel niet de inhoud, maar dat jij een vol programma hebt, maar toch de hele dag de rust zelf bent en ook nog eens exact op tijd klaar bent. Hoe doe je dat?”

En wat doe je als je even de draad kwijt bent?

Lach vriendelijk naar je deelnemers en geef ze een extra pauze. Of vertel dat je de draad kwijt bent en even gaat opzoeken waar je gebleven was. Waarom niet? Laat alsjeblieft het idee los dat een training een show is die helemaal uit het hoofd gegeven moet worden. Je bent gewoon samen aan het werk en natuurlijk mag je dan ook even iets opzoeken als dat nodig is.

In werkelijkheid zal dit zelden gebeuren. Want in een echte training (geen presentatie) zijn de deelnemers zo vaak zelf aan het werk, dat je tussendoor voldoende tijd hebt om in je trainingsplan het volgende onderdeel te bekijken.

Trainingen ontwerpen en uitvoeren

Het ontwerp en de uitvoering van een training horen bij elkaar. Door een goed ontwerp verbeter je jouw uitvoering en door een goede uitvoering kun je jouw ontwerp weer verbeteren. In de train-de-trainercursus van Bridge2learn leer je trainingen ontwerpen en uitvoeren.

doelgericht of flexibel trainen

Doelgericht of flexibel trainen?

Als we trainers zouden indelen in verschillende groepen (wat ik niet wil, maar soms toch stiekem doe) dan is de indeling in ‘doelgericht’ versus ‘flexibel’ zeker één van de mogelijkheden. Maar wat is nu het beste?

Een karikatuur van twee soorten trainers:
De flexibele trainer. Aan de ene kant heb je de trainers die zweren bij aansluiting bij de deelnemers. Zij zetten daarom liever weinig of niets vooraf op papier. Ze bewegen mee met de energie van de groep en slaan de meest fantastische zijwegen in. Ze kunnen goed improviseren en zijn daar trots op.
De doelgerichte trainer. Aan de andere kant heb je de trainers die veel tijd stoppen in de schriftelijke voorbereiding en hun trainingsplan nauwgezet volgen. Hun programma is heel methodisch opgebouwd, de inhoud staat als een huis en ze wijken daar ook niet van af.

Als zo’n verschil een keer ter sprake komt, dan hoor ik trainers wel eens zeggen Je moet trainen zoals het voor jou goed voelt’. Maar dat vind ik toch iets te makkelijk. Je authentieke zelf zijn is mooi, maar als dat schadelijk is voor je deelnemers kun je toch beter je aanpak veranderen. Trainen is namelijk een vak. Ik hoop dat een chirurg mij ook niet opereert ‘zoals het voor hem goed voelt’.

Mijn boodschap: Ik wil af van die tegenstelling tussen doelgerichtheid en flexibiliteit, want een goede trainer is volgens mij niet in één van die hokjes te stoppen. Ik vind dat doelgerichtheid en flexibiliteit allebei bij het trainersvak horen. Sterker nog: ze kunnen niet zonder elkaar. We moeten ze dus niet tegen elkaar uitspelen, maar met elkaar verbinden!

Flexibiliteit zonder doelgerichtheid wordt chaos. Als je alleen maar aansluit bij de groep, kan dat betekenen dat je heel andere dingen gaat doen dan dat waarvoor je gevraagd bent door de opdrachtgever. Je beweegt misschien mee met enkele vragen van deelnemers, terwijl de rest van de deelnemers zich zit te verbijten omdat ze niet krijgen waarvoor ze gekomen zijn. Je voert werkvormen uit die minder effect hebben omdat je ze niet goed hebt voorbereid.

Doelgerichtheid zonder flexibiliteit wordt een keurslijf. Als je precies weet waar je wilt komen, maar geen rekening houdt met wat er in de groep gebeurt, raak je het contact met de groep helemaal kwijt. Je wordt dan een soort zendmast die een radio-uitzending geeft zonder dat je weet of de boodschap wel landt.

Hoe ziet ‘flexibele doelgerichtheid’ eruit voor een trainer?
Een paar voorbeelden:

  1. Voor een training heb je gedragsdoelen nodig. Om die te formuleren heb je zowel doelgerichtheid nodig (ja duhh…) maar ook flexibiliteit. Want je past deze doelen regelmatig weer aan, bijvoorbeeld voor een nieuwe doelgroep.
  2. Een goede training is methodisch opgebouwd. Je werkt stap voor stap naar de gedragsdoelen toe. Maar door de onderdelen ruim te plannen, geef je jezelf ruimte om bij de uitvoering flexibel te zijn.
  3. Tijdens de uitvoering ben je flexibel binnen het kader van de afgesproken doelen. Juist omdat je je doel helder hebt, kun je af en toe ook werkvormen inkorten, weglaten of toevoegen als je denkt dat dat beter zal werken of als je in tijdnood komt.
  4. Werkvormen kopieer je niet blindelings uit een boek of van een andere trainers. Je wilt er een doel mee bereiken (doelgerichtheid) en om daar te komen, pas je jouw werkvormen dus regelmatig aan. (flexibiliteit)

Recent startte ik met een groep die zojuist te horen hadden gekregen dat hun collega in het afgelopen weekend was overleden. Je begrijpt dat op zo’n moment de planning even aan de kant gaat. Daarna ga ik puzzelen hoe we de belangrijkste doelen van de dag toch kunnen bereiken in de resterende tijd. Ook zo’n situatie vraagt dus om zowel doelgerichtheid als flexibiliteit.

Twee van mijn favoriete tegeltjeswijsheden zijn:

Geen enkel trainingsplan overleeft het contact met cursisten.
Je kunt pas improviseren als je de partituur kent.
Je kunt je nog zo goed voorbereiden, uiteindelijk pas je altijd iets aan. Improviseren is belangrijk, maar dat kan pas als je je voorbereid hebt. Beide zijn ze waar en ze houden elkaar in evenwicht.

Doelgerichtheid en flexibiliteit kunnen niet zonder elkaar
Dat geldt niet alleen voor het trainersvak, maar dat geldt eigenlijk voor het hele leven. Ik maak plannen voor mijn bedrijf maar ik realiseer me ook dat niet alles te plannen valt. Mijn doelen voor ieder jaar geven mij richting, maar ik ben altijd bereid om zowel de doelen als de aanpak onderweg bij te stellen.

Doelgericht én flexibel leren trainen?

Als jij het trainersvak wilt leren en zowel doelgericht als flexibel wilt leren trainen, dan ben je welkom in de train-de-trainercursus van Bridge2learn!

De trainer als procesbegeleider

De trainer als procesbegeleider

Er waren eens twee trainers die naar mij toe kwamen met een vraag.

De eerste trainer vertelde dat ze trainingen geven best leuk vond, maar moeite had om haar boodschap over het voetlicht te brengen. Het leek of de deelnemers haar niet helemaal serieus namen. De deelnemers gingen ook vaak met elkaar in discussie en ze had moeite om er dan tussen te komen en weer verder te gaan.

De tweede trainer vertelde dat ze graag wat meer interactie in haar trainingen wilde. Ze vertelde mij dat ze daar wel om vroeg, maar de deelnemers reageerden nauwelijks. “Hoe krijg ik mijn deelnemers wat actiever?” vroeg ze.

Bij beide trainers ben ik op bezoek geweest. Dat waren leerzame ervaringen. Ik zag daar iets dat voor iedere trainer belangrijk is, en waar ik ook deze twee trainers mee heb kunnen helpen.

In dit artikel vertel ik over dat trainingsbezoek, over de rollen die je als trainer kunt innemen en de momenten waarop je dat het beste kunt doen. Ook geef ik je tips hoe je beide rollen verder kunt ontwikkelen.

Het bezoek

De eerste trainer startte haar training op een vriendelijke manier. Ze zat op een stoel in de groep. Vooraan, een beetje rechts van het midden, naast de deelnemers. Ze had aandacht voor iedereen die iets wilde vertellen. Toen ze uiteindelijk startte met de inhoud, was ze al iets uitgelopen in haar planning. Ze bleef zitten waar ze zat, opende de PowerPoint en legde uit hoe het Johari-venster werkt. Die uitleg ging niet zo vlot. Deelnemers onderbraken haar regelmatig, maar gingen soms ook met elkaar in discussie. Ik zag haar frustratie toenemen. Ze wilde verder, maar wist duidelijk niet hoe ze dat voor elkaar kon krijgen.

De tweede trainer was iemand die meteen de leiding nam. Ze ging voor de groep staan, presenteerde het programma en begon meteen daarna met uitleg over de kernkwadranten. Het was een inspirerend verhaal met duidelijke uitleg en mooie voorbeelden. Het was duidelijk dat ze enthousiast was en geloofde in de waarde van wat ze vertelde. Na ongeveer 25 minuten stelde ze voor het eerst een vraag aan de deelnemers. Het bleef stil. Toen de trainer iemand aanwees, kwam er een aarzelend antwoord, waarna de trainer maar weer verder ging met haar verhaal.

Wat gebeurde hier?

Zie je wat hier gebeurde? Ik hoop dat ik mijn herinneringen (van alweer een aantal jaren geleden) zo heb weten te verwoorden dat jij het ook ziet.

Een trainer heeft namelijk verschillende rollen. De twee belangrijkste rollen zijn die van ‘docent’ en ‘procesbegeleider’. Die rollen zijn geen karaktertyperingen, al zal de ene rol je misschien wat beter liggen dan de andere. Het zijn rollen die allebei nodig zijn in een training. Het is belangrijk dat je beide rollen kent, en dat je ze op het juiste moment weet in te zetten. (De namen voor de rollen zijn overigens door mij gekozen en hebben geen enkel verband met de functie van een docent op een onderwijsinstelling.)

De rol van docent

De rol van docent is misschien wel de meest bekende rol van een trainer. Enkele belangrijke kenmerken van deze rol zijn:

  • De docent neemt een centrale positie in (meestal staand) en houdt de leiding
  • De docent is inhoudelijk deskundig
  • De docent geeft uitleg, beantwoord vragen, alle interactie verloopt via de docent
  • De docent geeft instructies bij opdrachten
  • De docent stuurt de groep naar een inhoudelijk doel
  • De docent zorgt voor maximale duidelijkheid

Deze rol roept een complementaire reactie op: de deelnemers luisteren en kijken naar de trainer en volgen zijn of haar aanwijzingen.

De rol van procesbegeleider

De rol van procesbegeleider ziet er anders uit. Enkele belangrijke kenmerken van deze rol zijn:

  • De procesbegeleider zit (vaak) voor de groep, of bevindt zich buiten de groep
  • De procesbegeleider observeert wat er in de groep gebeurt en reageert daarop
  • De procesbegeleider weet het antwoord misschien wel, maar laat deelnemers er zelf achter komen
  • De procesbegeleider stimuleert onderlinge interactie tussen de deelnemers
  • De procesbegeleider stelt vragen. Soms over de inhoud, maar ook over het groepsproces.
  • De procesbegeleider is vooral volgend of gidsend, in plaats van sturend

Deze rol roept ook een complementaire reactie op: de deelnemers zullen sneller het initiatief nemen en reageren op vragen.

Hoe kon ik deze trainers helpen?

De eerste trainer beheerste vooral de rol van procesbegeleider. Ze zei letterlijk tegen mij dat ze niet de indruk wilde wekken dat ze belangrijker was dan de groep. Daarom bleef ze zitten. Bij de introductie van de training werkte dat, maar het ging mis toen ze nieuwe theorie moest uitleggen. Eigenlijk durfde ze niet goed de leiding te nemen en duidelijk te zijn. Haar houding en taalgebruik paste niet bij het doel van dat trainingsonderdeel. Ze had hier beter de docentrol kunnen gebruiken. Dat is dan ook iets dat ze geoefend heeft. Daardoor veranderden overigens ook haar gedachten over de docentrol. Ze realiseerde zich dat deze rol soms nodig is en dat zij deze rol ook in zich had!

De tweede trainer beheerste vooral de rol van docent. Door haar sterke leiderschap bracht ze snel duidelijkheid en kon ze nieuwe leerstof ook duidelijk uitleggen. Maar toen ze in gesprek wilde met de groep, nam ze daar onvoldoende tijd voor. De deelnemers waren enigszins passief geworden door de lange introductie. Daarnaast bleef ze ook op dezelfde centrale positie staan als tijdens de uitleg. Deze trainer heeft geoefend met de procesbegeleidersrol en het beperken van de zendtijd. Het verbaasde haar dat ze uiteindelijk, ondanks haar goede bedoelingen, zelf de belemmering bleek te zijn voor meer interactie in de groep!

Wanneer neem je welke rol?

Uit bovenstaande uitleg is al duidelijk geworden dat de ‘docentrol’ geschikt is voor momenten waarop je iets uitlegt. Ook bij het begin van een training kan deze sturende rol bijdragen aan de veiligheid van de deelnemers. De ‘procesbegeleidersrol’ is een meer coachende rol en past daarom vooral bij momenten waarop de deelnemers hun ervaringen vertellen, of wanneer de deelnemers aan de slag gaan met wat je uitgelegd hebt. Uiteraard komt de rol van procesbegeleider vaker voor in teamtrainingen waarin inhoudelijke doelen een ondergeschikte rol spelen maar vooral het samenwerkingsproces centraal staat. Zulke trainers noemen zichzelf dan ook vaak teamcoaches. Maar ook in iedere training waarin overdracht van kennis en vaardigheden centraal staat, heb je de rol van procesbegeleider regelmatig nodig.

Uiteindelijk gaat het erom dat je als trainer voortdurend kunt schakelen tussen deze rollen. Dat kan ook vrij snel achter elkaar gebeuren. Kijk maar naar dit voorbeeld.

  1. Je heet de deelnemers welkom en legt het programma uit. (docent)
  2. Je vraagt de deelnemers naar hun ervaringen of leerwensen. (procesbegeleider)
  3. Je geeft uitleg over model X. (docent)
  4. Je geeft instructie voor een oefening waarin model X toegepast wordt. (docent)
  5. Je begeleidt een groepje dat met de oefening bezig is. (procesbegeleider)
  6. Je vraagt de deelnemers na afloop hun ervaringen in de oefening te delen. (procesbegeleider)

Trainers die kunnen schakelen tussen deze rollen, krijgen een veel breder gedragsrepertoire. Je past jouw gedrag aan op het doel dat je wilt bereiken. Op het ene moment stuur je meer, en op het andere moment volg je meer.

Hoe werd ik meer procesbegeleider?

Toen ik trainer werd, was de ‘docent’ voor mij vertrouwder dan de ‘procesbegeleider’. Ik heb dit schakelen onder andere geoefend door bij ieder onderdeel te noteren welke rol ik wilde nemen. Bij de rol van procesbegeleider noteerde ik vooraf wat vragen die ik zou kunnen stellen. Zo werd ik er bij de uitvoering aan herinnerd. Ook leerde ik coachen met Motiverende Gespreksvoering en deze vaardigheden ging ik gebruiken in mijn trainingen. Ik ontdekte dat deelnemers heel veel zelf kunnen en dat gaf mij het vertrouwen dat ik nodig had om de sturende docentrol af en toe los te laten.

Hoe word je meer docent?

Trainers die willen oefenen met de rol van docent adviseer ik te beginnen met vast te stellen wanneer je die rol wilt nemen. Op de momenten dat je de docentrol wilt nemen, ga je staan en geef je kort en krachtig uitleg. Om het voor jezelf niet al te ongemakkelijk te maken, kun je dat het beste maximaal 5 minuten doen, en daarna steeds weer even de interactie met de groep zoeken. Die sturende uitleg- of instructiemomenten kun je goed oefenen vooraf. Begin met enkele kleine momenten per training. Als je het moeilijk vind om zo duidelijk de leiding te nemen, realiseer je dan dat de deelnemers dit van jou verwachten. Niet alleen bij uitleg of instructie, maar ook bij storend gedrag van deelnemers. Duidelijkheid en leiderschap geven veiligheid, en maken van jou echt geen onvriendelijke trainer.

In de train-de-trainercursus van Bridge2learn oefen je in het gebruik van beide rollen. Heb je zelf nog ideeën over deze twee rollen, of manieren hoe je deze rollen kunt leren? Laat dan een reactie achter onder dit artikel.