Mythes over leren

Toen een collegatrainer mij een afbeelding van de leerpiramide (zie het plaatje hieronder) liet zien, was ik meteen enthousiast. Dit was de onderbouwing van wat ik geloofde! Een aantal jaren heb ik dit model gebruikt om ‘aan te tonen’ dat activerende werkvormen in een training meer opleveren dan passief consumeren. Dit model blijkt echter één van de mythes over leren te zijn.

En zo zijn er nog meer pseudo-wetenschappelijke mythes over leren die het goed doen in trainingen.

mythes over leren

Een paar jaar geleden las ik een artikel waaruit bleek dat deze piramide niet op verifieerbaar onderzoek gebaseerd is. Vanaf dat moment heb ik het nooit meer aangeboden aan trainers.

Recent hoorde ik een podcast van Glenn Vergoossen met daarin Pedro de Bruyckere als gast en heb ik zijn boek gekocht: “Jongens zijn slimmer dan meisjes”. Hierin ontrafelt hij 35 mythes over leren en onderwijs, waaronder ook de mythe van de leerpiramide. Dat boek inspireerde mij tot het schrijven van dit artikel.

Waarom schrijf ik dit?

Ik ben ervan geschrokken hoe gemakkelijk ik die leerpiramide geloofde en weer doorgaf aan anderen. Dat geldt ook voor de mythe van de leerstijlen of de mythe dat 93% van onze communicatie non-verbaal is. Waarom geloven zoveel mensen dit? Waarom gebruiken we nep-onderzoekresultaten als onderbouwing van onze boodschap?

Maar daarnaast wil ik mijn invloed ook gebruiken om te voorkomen dat jij als trainer deze mythes gelooft en doorgeeft aan je deelnemers. Dat is schadelijk voor je deelnemers, voor jouw professionele reputatie en uiteindelijk ook voor het trainersvak.

Waarom geloven we zulke mythes?

In het eerder genoemde boek ‘Jongens zijn slimmer dan meisjes’ wordt een aantal verklaringen genoemd. Ik kan niet duidelijk vinden of daar ook onderzoek naar is gedaan, dus laten we het hypotheses noemen:

  1. Het gebruik van schematische afbeeldingen. Een schematische afbeelding blijft goed hangen, vooral een driehoek lijkt het goed te doen. (Maslov klopt helaas ook niet.)
  2. Als je het gelooft, ga je het zien. Mythes hebben altijd iets herkenbaars. Iedereen ervaart dat mensen op verschillende manieren leren, iedereen ervaart dat non-verbale communicatie belangrijk is. Wie een mythe wil geloven, vindt altijd anekdotische bewijzen dat het klopt. Ik ging werkwoordspelling pas snappen toen ik het aan groep 7 moest uitleggen, dus de leerpiramide klopt. Dit wordt ook wel de confirmation bias genoemd: de denkfout om vooral bewijzen (sommigen noemen het ‘alternatieve feiten’) te zoeken die onze overtuiging onderbouwen.
  3. Populariteit van een bepaalde stroming of wetenschap. Als ik hoor dat iets door neurowetenschappers is aangetoond, dan ben ik om. Zeker als er een gekleurd plaatje van een hersenscan aan toegevoegd wordt. De werkelijkheid is echter dat de neurowetenschap nog maar jong is en dat het nog heel lastig is om inzichten uit deze wetenschap te vertalen naar effectieve leermethodes. In het boek is dan ook een apart hoofdstuk opgenomen over neuromythes.
  4. We houden van eenvoud en overzicht. Alle mythes hebben met elkaar gemeen dat ze vrij duidelijk zijn en ongenuanceerd. Dat schept helderheid in de chaos van het leven. We negeren de nuances en complexiteit van de werkelijkheid omdat dit gewoon te ingewikkeld wordt.
  5. We kunnen en willen niet alles controleren. We kunnen niet anders dan bepaalde dingen aannemen voor waar. Daarom vertrouwen we op deskundigen. Als ik ergens op visite kom, ga ik ook op een stoel zitten zonder de poten te controleren. En er is een grote kans dat je mij ook gelooft omdat je mij al een beetje kent en omdat het controleren van dit artikel veel tijd kost. En op diezelfde manier neem ik aan dat het onderzoek van De Bruyckere et al. klopt.
  6. Het gebruik van percentages. (deze hypothese is van mij) Percentages wekken de indruk dat iets onderzocht is. Plak ergens een percentage op en maar weinig mensen vragen verder door naar de betekenis van die percentages of de onderzoeksmethode.

Mijn top-7 van mythes over leren

Hier volgt mijn persoonlijke top-7 van alle mythes over leren uit het boek “Jongens zijn slimmer dan meisjes” Met persoonlijk bedoel ik dat het mythes zijn die mij aanspreken of die ik schadelijk vind. Ik beperk met tot het kort benoemen van de mythe. Als je er meer over wil lezen, kan ik je echt het boek aanraden.

Nummer 7: Digital Natives hebben een andere vorm van onderwijs nodig

De term Digital Natives wordt gebruikt voor mensen die rond of na de eeuwwisseling geboren zijn en van jongsaf opgroeien in een digitale wereld. Verwijzingen naar deze Digital Natives worden gebruikt als onderbouwing voor onderwijsvernieuwing. Diverse onderzoeken (Jongens zijn slimmer dan meisjes, pagina 135 e.v.) wijzen uit dat Digital Natives als generatie met vaststaande andere kenmerken dan oudere generaties niet bestaan. Ook blijkt er geen onderzoek te zijn waaruit blijkt dat deze generatie ander onderwijs nodig heeft dan de generaties daarvoor of dat ze daar zelfs behoefte aan hebben.

Nummer 6: Je leert 70% informeel, 20% van anderen en slechts 10% van formeel onderwijs

70:20:10 is een populaire benadering voor het inrichten van leertrajecten voor volwassenen. Gelukkig zijn de meeste gebruikers zo voorzichtig om dit niet een wetenschappelijk bewezen aanpak te noemen. Want er is geen onderzoek volgens De Bruyckere et al. dat deze regel bewijst. Als je dit gebruikt als metafoor voor het inrichten van leertrajecten waarbij werkplekleren, sociaal leren en formeel leren geïntegreerd worden, is er niet zoveel aan de hand. Als je de cijfers letterlijk neemt en daarmee formeel onderwijs wil decimeren, maak je een gevaarlijke keuze. Eén specifiek onderzoek onder leidinggevenden kwam bijvoorbeeld op de verhouding 16:44:30 uit. Waarschijnlijk is de verhouding wisselend en sterk afhankelijk van de leerdoelen die bereikt moeten worden en de mate van ervaring van de lerende.

Nummer 5: De linker hersenhelft is analytisch, de rechter hersenhelft is creatief.

Het probleem van deze mythe is vooral dat mensen hierdoor in twee hokjes geduwd worden en de complexe werking van het brein gereduceerd wordt. De werkelijkheid is dat beide hersenhelften intensief samenwerken, zowel bij analytische als creatieve taken. Als je wilt aantonen dat er verschillen zijn tussen mensen, heb je deze pseudo-wetenschappelijke onderbouwing niet nodig.

Nummer 4: Je moet rekening houden met meer soorten intelligenties (meervoudige intelligentie)

Deze theorie van Howard Gardner is volgens De Bruyckere et al. eerder een sympathieke filosofie dan een bewezen effectieve theorie voor het geven van onderwijs. Aansluiten bij de talenten van je deelnemers is goed, waar dat mogelijk is. Maar wanneer specifiek gedrag geleerd wordt, heb je er meestal niet zoveel aan. Ook is de lijst met intelligenties (eigenlijk: talenten) niet gebaseerd op onderzoek en daarmee een wankele basis om als uitgangspunt te nemen voor het onderbouwen van een didactische aanpak.

Nummer 3: Rendement van leeractiviteiten kun je in een piramide weergeven

De leerpiramide (zie de afbeelding bovenaan dit artikel) is erg populair als onderbouwing dat deelnemers van bepaalde leeractiviteiten meer leren dan van andere. Meerdere wetenschappers hebben gezocht naar de bron van deze piramide, maar hebben deze niet kunnen vinden. Het lijkt erop dat dit aan het begin van de vorige eeuw door iemand bedacht is en een eigen leven is gaan leiden. Onderzoeken naar het rendement van leeractiviteiten ontkrachten dit model.

Nummer 2: 93% van onze communicatie is non-verbaal

Eigenlijk is dit maar ten dele een mythe over leren, maar het is wel één van de meest hardnekkige mythes die door trainers verkondigd worden. Als je even analytisch naar de tekst van deze mythe kijkt, kun je al snappen dat dit niet klopt. Communicatie is geen zak knikkers waarvan je een percentage kunt vaststellen. Er is nog een andere logische manier waarmee je kunt vaststellen dat deze mythe niet klopt: Op dit moment ben je aan het lezen en komt er toch echt geen non-verbale informatie bij je binnen. En als je naar de radio luistert ook niet. Het experiment van David Mehrabian waar deze mythe op gebaseerd is, was dan ook één heel specifiek experiment en de uitkomsten zijn niet geldig voor alle vormen van communicatie. Google maar eens op Mehrabian Myth en je vindt talloze filmpjes en websites waarin deze mythe wordt rechtgezet. Mehrabian zelf wordt er moedeloos van dat hij zo verkeerd begrepen wordt.

En op nummer 1: Je moet aansluiten bij de leerstijlen van je deelnemers

Leerstijlen (of leervoorkeuren) zijn vaak niet de beste manier om nieuw gedrag te leren. Leerstijlentesten blijken geen leergedrag te voorspellen, leerstijlen stoppen mensen in hokjes en belemmeren daarmee het leren. Tenslotte een praktisch argument: in een training kun je onmogelijk aansluiten bij de voorkeuren van alle individuele deelnemers. Zie ook dit artikel: de mythe van de leerstijlen.

Maar wat kan ik dan nog als houvast gebruiken?

Gebruik als houvast de aanwijzingen waarvan we weten dat ze wel werken, totdat het tegendeel bewezen wordt. Let daarbij ook op de nuances. Zodra een methode claimt dé waarheid over leren in pacht te hebben, dan is het een mythe. Daarvoor is leren te complex.

Gelukkig vind je in het eerder genoemde boek ook informatie over wat men inmiddels wel weet over leren. En gelukkig kunnen onze deelnemers ook van een minder goede aanpak iets leren. Ze leren soms ook ondanks ons trainersgedrag. Dat is geen excuus om maar wat aan te rommelen, maar wel een geruststelling.

En kan ik jou of die Pedro wel geloven?

Ik heb ervoor gekozen om Pedro de Bruyckere et al. te geloven. Ik geloof hun intenties om het onderwijs te verbeteren. Ik zie en herken hun zorg dat mensen soms zo makkelijk achter mythes aanlopen. Ik herken dat laatste ook bij mijzelf. Ik zie in zijn boek dat hij niet zomaar wat roept, maar dat hij en zijn collega’s Paul Kirschner en Casper Hulshof literatuuronderzoek hebben gedaan en hun stellingen onderbouwen. In de podcast die ik hoorde werden hem ook vragen gesteld waarop hij geen antwoord wilde geven omdat hij daar te weinig van af wist. Dat vind ik mooi.

Of jij hem gelooft en of je mij gelooft, is aan jou. Uit ervaring weet ik dat het niet makkelijk is om iets wat je in trainingen verteld hebt ineens als ‘onwaar’ te gaan zien. Toen ik eens nogal fel de Mehrabian-mythe aanviel, was er een trainer die reageerde met: “Dat is dan jouw waarheid!” Tja, dan is het gesprek afgelopen en kun je doorgaan met het presenteren van alternatieve feiten.

Mijn wens is dat we als trainers zorgvuldig zijn in onze verwijzingen naar wat bewezen is en dat we bereid zijn onze didactische aanpak bij te stellen als er een betere aanpak is.

En over wat niet bewezen is, mag je natuurlijk best een mening hebben. Ik kan ook echt niet ieder micro-onderdeel van mijn aanpak onderbouwen met wetenschappelijke bronnen. Maar dan noem ik het een mening of hypothese, of dan vertel ik dat mijn standpunt gebaseerd is op mijn eigen ervaringen.

7 antwoorden
  1. Judith
    Judith zegt:

    Beste Arie,
    Dank voor het delen van deze informatie en het lezen van het boek. Ook ik gebruik soms vereenvoudigde schema’s van hersenen of andere zaken om mijn verhaal kracht bij te zetten én omdat het deelnemers vaak een haakje geeft om de kern van het verhaal beter te onthouden. Ik waak er echter voor met veel cijfers te gooien én ik verkondig het nooit als dé waarheid. Hopelijk pleit ik mezelf zo vrij ;-)
    vraagje: Zegt de beste man in zijn boek ook iets over de vergeetcurve van Ebbinghaus? Daar ben ik heel benieuwd naar. Alvast dank. Judith

    Beantwoorden
    • Arie Speksnijder
      Arie Speksnijder zegt:

      Dag Judith, de vergeetcurve van Ebbinghaus staat niet in dit boek, en ook niet in het vervolg dat ze geschreven hebben. Als ik naar Ebbinghaus verwijs, vertel ik er altijd bij hoe dat onderzoek ging. Je maakt dan duidelijk dat het resultaat van zijn onderzoek niet op alles wat met onthouden te maken heeft van toepassing is. Dat zouden we ook bij Mehrabian en andere hele of halve mythes kunnen doen. Ik houd ook van eenvoud, dus ik laat ook wel eens informatie weg om de boodschap te verduidelijken. Dat blijft balanceren.

      Beantwoorden
  2. Ben
    Ben zegt:

    Hallo Arie, bedankt voor het delen. Ik heb in de loop van de jaren ook zo mijn eigen waarheden verzameld. Ik zie ze als hulpmiddelen om mensen anders denken en kijken te geven. Daarnaast bedenk ik me ook wel eens dat als iets nog niet bewezen of aangetoond is dat het dan ook niet persé niet waar is. Misschien is het ook wel de behoefte aan houvast om aan een waarheid vast te houden. Als (oud) verpleegkundige kan ik me nog herinneren dat het wassen van handen zo belangrijk was en nu ook weer is. Terwijl de ontdekker van het belang van handen wassen zolang werd verguist en het lang heeft geduurd voordat het een gewoonte werd en zelfs nu zijn we er nog niet zo goed in. De medici van toen hadden er waarschijnlijk moeite mee dat zij ziekte konden doorgeven en gingen tegen de (nog niet bewezen) theorie in. Binnen mijn huidige werk (GGZ) merk ik soms ook dat we behoefte hebben aan evidence based werken en dat de praktijk soms juist wat anders laat zien. Of dat sommige van mijn wetenschappelijke collegae onderzoek of een theorie naast zich neer leggen omdat de wijze van onderzoek niet zou kloppen. Ik heb laatst naar Rutger Bregman zitten kijken op YouTube waarin hij verteld over zijn boek alle mensen deugen. Hij raad zijn publiek aan om sommige van zijn boeken maar niet te lezen omdat ook hij onderzoek aanhaalt wat weer achterhaald is of onvoldoende bewezen. Eigenlijk wel gaaf dat we op deze manier mogen kijken naar (on)zekerheden. Ook jouw blogs helpen hierbij om weer nieuwe gedachten en inzichten te krijgen en om nieuwe vragen te stellen. Dank en een groet, Ben

    Beantwoorden
    • Arie Speksnijder
      Arie Speksnijder zegt:

      Dank voor je reactie Ben. Ik heb er ook geen moeite mee om ‘meningen’ of ‘persoonlijke ervaringswaarheden’ te vertellen. In mijn boek staan ook dingen die ik zelf bedacht heb. In zulke gevallen schrijf ik een aanpak voor, zonder te claimen dat dit De Waarheid is. En bewezen effectieve interventies gaan bijna altijd over gemiddelden onder bepaalde omstandigheden en er zijn dus altijd uitzonderingen. Die nuance is zeker belangrijk. Het wordt ernstiger als we dingen vertellen die echt schadelijk kunnen zijn voor het leerproces (leerstijlen) of die feitelijk onwaar zijn, zoals zeggen dat de leerpiramide het resultaat is van onderzoek. Zolang je dat nog niet weet, kun je nog integer zijn. Maar als een trainer bewust onwaarheden vertelt om een boodschap kracht bij te zetten, ga je m.i. een ethische grens over.

      Beantwoorden
      • Ben
        Ben zegt:

        Klopt Arie, bewust onwaarheden aanbieden als zekerheid is in mijn ogen ook een ethische grens over. Helaas kom ik ook wel tegen dat mensen meer onbewust vast lijken te houden aan wat ze voor waarheid aannemen en nu ik erover nadenk zal ik dat zelf ook wel doen. Gelukkig is er ook kans om hierop terug te komen. Zo heb ik ooit aan een psycholoog mijn verontschuldigingen aangeboden omdat ik weinig waarde hechte aan het intake verslag wat zij standaard moest maken voor mogelijke toekomstige cliënten. Ik was toen nog in de overtuiging dat ik zelf de client zo onbevooroordeeld moest ontvangen. Later kwam ik erachter dat dit zelfs nog beter kon als ik me goed had voorbereid en dat dit voor de client ook van meerwaarde was. Schaamrood op mijn kaken toen ik bij mijn collega mijn verontschuldigingen aanbood. En dankbaar voor het nieuwe inzicht. Groet, Ben

        Beantwoorden
  3. Frans Vlek
    Frans Vlek zegt:

    Hallo Arie,

    Opnieuw een inspirerende blog. Je toont daarmee waar het in mijn ogen bij een ‘academische’ aanpak om gaat: kritisch blijven kijken naar claims en waarheden. Je snijdt een lastig thema aan. Het woord ‘evidence’ is op zichzelf al complex. In het Engels betekent het eerder aanwijzing dan waarheid. Daar hebben zij dan weer het woord ‘truth’ voor.
    In de academische wereld is het meestal van belang hoe ‘waar’ iets is. Dat zie ik als een soort dagkoersen. Soms wijst heel veel onderzoek in een bepaalde richting. Het wordt dan meer waar. Soms komt er tegengesteld onderzoek. Het wordt dan minder waar.
    In de praxis wereld van onderwijs, training en coaching is het volgens mij meestal belangrijker dat iets werkt of behulpzaam is. In therapie wordt het om die reden ook vaak een ‘rationale’ genoemd: het hoeft niet persé waar te zijn, maar als het jou helpt om vat op de complexe realiteit te krijgen, is het goed. Filosofisch pragmatisme dus. NLP en oplossingsgericht werken (om maar iets te noemen) zijn er groot mee geworden.
    Kortom, ik deel je bezwaren tegen ‘mythes’. Laten we daar vooral kritisch op blijven (ik heb dat boek dat je noemde meteen besteld en voor de gein een search gedaan (10 minuten) naar die leerpyramide ; die wordt voor het eerst ‘genoemd’ in een boek van Dale uit 1946 (..). Daar is het trouwens ook nog een kegel…)
    Maar met dit in het achterhoofd help ik deelnemers toch ook graag met fasemodellen, cirkelprocessen, stappenplannen, breinleren, gespreksanimaties en natuurlijk kermismetaforen ;)

    Ben benieuwd of Sergio nog gaat reageren want zijn bedrijf heet toch niet voor niets ‘bewezen effect’.

    Goed bezig!

    met hele hartelijke groeten,
    Frans Vlek (natuurlijk drs. voor m’n naam)

    Beantwoorden
    • Arie Speksnijder
      Arie Speksnijder zegt:

      Dankjewel voor je reactie Frans. Mooi wat je schrijft over gradaties in waarheid. Dat laat meteen al de nuances zien die mogelijk zijn. Ik vind het werken met modellen en metaforen ook heel behulpzaam. Het gaat mij in dit artikel vooral om de praktijk dat dingen onderbouwd worden met onderzoeken die ‘bewezen-niet-waar’ zijn. Zolang dat niet zo is en het werkt, heb ik er net als jij geen moeite mee. Zo is er ook kritiek op de DISC-profielen en andere persoonlijkheidstyperingen. Die kritiek deel ik en tegelijkertijd zie ik dat het mensen kan helpen in de samenwerking. Wat mij betreft geen probleem, zolang we maar niet doen alsof DISC de VOLLEDIGE WAARHEID over persoonlijkheid is. Mijn Trainingsachtbaan is in z’n geheel geen evidence-based-methode, maar is opgebouwd uit onderdelen die dat wel zijn. Dat was mijn zoektocht bij het schrijven. Ik wilde een model maken dat houvast geeft, maar tegelijk zo ruim is dat ik bij voortschrijdend inzicht de inhoud van het boek kan aanpassen zonder meteen het hele model overboord te gooien. De toekomst zal leren of dat gelukt is.

      Beantwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *